|
door drs. E.J.A. van IJzendoorn
360°
feedback is een instrument op het gebied van beoordeling en
ontwikkeling van medewerkers. Bij dit instrument gaat het om
het genereren van feedback, door een aantal personen met een
verschillend perspectief op het gedrag van de beoordeelde
persoon. Doel is om een zo breed mogelijk beeld te schetsen
van het huidige gedrag in de werksituatie.
Het 360° feedback principe
Het
360° feedback principe is een methode om het functioneren van
een individu te evalueren
waarbij gebruik wordt gemaakt van meerdere
beoordelaars. De basis van deze methode is dat het
functioneren van een individu wordt beoordeeld door een aantal
personen rondom de beoordeelde die een goed zicht hebben op
het dagelijks functioneren van de betreffende persoon. Dat
kunnen collega’s van gelijk niveau zijn, maar ook
ondergeschikten of de directe leidinggevende. In sommige
gevallen kan ook de mening van (interne) klanten worden
gevraagd. Door de verschillende percepties van deze personen
te combineren, wordt een compleet beeld verkregen van de
beoordeelde persoon.
Het
360° principe wordt momenteel met name ingezet als basis voor
personeelsbeoordelings-systemen en coaching c.q.
functioneringsgesprekken. Personen uit de werkomgeving van de
betrokkene beoordelen het functioneren van die persoon en
leveren zo de input voor beoordelings- of
functioneringsgesprekken.
2. Kenmerken van het 360° principe
2.1. Het gebruik van meerdere beoordelaars
Bij
het 360° principe beoordelen meerdere personen het gedrag van
een individu. Het gebruik van meerdere beoordelaars, ook wel
multirating genoemd, heeft enkele voordelen boven het gebruik
van een enkele beoordelaar, oftewel singlerating. Ten eerste
nemen de observatiemogelijkheden van de persoon in
verschillende situaties met het aantal beoordelende personen
toe (Borman 1974; Henderson, 1984). In het geval van
personeelsbeoordeling zal een leidinggevende niet altijd in
staat zijn om zijn medewerkers op alle aspecten van hun
functie te observeren. Denk bijvoorbeeld eens aan
buitendienstmedewerkers, die het grootste deel van hun
werktijd bij klanten doorbrengen. Verschillende
beoordelaarsgroepen vervullen een verschillende rol ten
opzichte van de beoordeelde (Harris & Schaubroeck, 1088;
Roe, 1983). Door de percepties van meerdere personen met een
ander perspectief te combineren, wordt een minder eenzijdig,
en dus completer beeld verkregen van de beoordeelde persoon.
Het
risico is echter dat door meer verschillende observaties ook
de kans op een onjuiste observatie toeneemt. Met het
meetproces in gedachten zal dit duidelijk zijn: per stap
kunnen de oordelen van beoordelaars
uiteenlopen. Beoordelaars hebben verschillende beelden
van een succesvolle kandidaat en zullen dan ook op
andersoortig gedrag letten. Daarnaast is dit verschil in
perceptie ook van invloed op de interpretatie van geobserveerd
gedrag. Wat de ene beoordelaar als wenselijk beschouw, ziet
een ander wellicht als minpunt. Het is dan ook van belang om
het beoordelingsproces zoveel mogelijk te standaardiseren door
onder andere te beoordelen op duidelijk omschreven en
makkelijk observeerbaar gedrag.
Het
bovenstaande lijkt in strijd met het gegeven
dat de betrouwbaarheid van een beoordeling door middel
van multirating over het algemeen toeneemt ten opzichte van
singlerating. Dit is echter te verklaren door het feit dat een
beoordeling die tot stand komt door twee assessoren die hetzelfde
zien, betrouwbaarder is dan een beoordeling op basis van
observaties van 1 persoon. Hierdoor wordt onder andere de kans
op een onjuiste beoordeling verkleind en worden eventuele
invloeden van bias verminderd. De observaties van de ene
beoordelaar worden als het ware gecontroleerd door de
waargenomen gedragingen door de andere beoordelaar(s). Uit de
statistiek is bekend dat de betrouwbaarheid toeneemt met het
aantal beoordelaars. Daarnaast geldt dat hoe kleiner het
aantal te beoordelen criteria en hoe nauwkeuriger deze citeria
zijn omschreven, hoe betrouwbaarder de beoordeling is. De
observaties die men tijdens het meetproces verzameld zijn
makkelijk te classificeren en te interpreteren, zodat de
meningen van verschillende beoordelaars meer overeen stemmen.
Een
ander punt is de acceptatie van de beoordeling door de
beoordeelde persoon: multirating wordt door de beoordeelde
vaak als een eerlijker methode beschouwd dan singlerating
(Latham en Wexley, 1982). Het idee dat de beoordeling niet
afhankelijk is van een enkele persoon, doorgaans de
leidinggevende, maar van meerdere personen die gezamenlijk tot
een mening komen, beinvloedt de acceptatie van het instrument
positief.
2.2. Het gebruik van zelfbeoordeling
Naast
het beoordelen door meerdere personen, is het kenmerkende van
de 360° feedback methode dat de persoon zichzelf beoordeelt.
Behalve het beeld dat de personen uit de (werk-) omgeving
hebben wordt bij de 360° feedback methode ook gebruik gemaakt
van het beeld dat de betreffende persoon heeft van zijn eigen
functioneren. De methode verschaft hierdoor de kans om de
eigen perceptie van vaardigheden, capaciteiten en stijl te
vergelijken met de perceptie van verschillende anderen
(Nowack, 1993)
3. Betrouwbaarheid en validiteit van de 360° feedback methode
De
360° feedback methode is onder te verdelen in beoordelingen
door experts, peerbeoordelingen en zelfbeoordelingen. Er zijn
onderzoeken gedaan naar de bertouwbaarheid en validiteit van
de drie verschillende manieren van beoordelen in de
werksituatie. De resultaten van deze onderzoeken zullen
onderstaand per beoordelaarsgroep kort worden besproken.
Expertbeoordelingen
Als
de 360° feedback methode wordt ingezet voor beoordeling in de
werksituatie, is de leidinggevende doorgaans een van de
personen die een oordeel geeft over de betrokenne. In een
selectiesituatie wordt de rol van expert vervuld door een
psycholoog of adviseur.
Peerbeoordelingen
Beoordelingen
door collega’s, ook wel peerbeoordelingen genoemd, zijn een
bruikbaar alternatief voor beoordelingen door experts of
leidinggevenden. Zowel veld- als laboratoriumstudies
hebben uitgewezen dat het beoordelen door peers een berouwbare
methode is. Kane en Lawler (1978) concludeerden in een review
van een groot aantal studies met betrekking tot peer
evaluatie, dat de betrouwbaarheid en validiteit van peer
evaluaties “acceptabel” was. Afhankelijk van de vorm
waarin peer evaluaties werden ingezet, varieerde de
betrouwbaarheid van .45 tot .89. De gemiddelde validiteitscoëfficienten
die Kane en Lawler (1978) rapporteerden was .43. Downey en
Duffy (1978) concludeerden: ‘...dat het bewijs voor de
validiteit van peer evaluaties in een militaire setting
indrukwekkend was.’ Uit het onderzoek van Reilly en Chao
(1982), waarin zij verschillende selectieprocedures vergeleken
op hun validiteit, bleek peer evaluatie significant te
correleren met succes in de functie: een gemiddelde validiteit
van .41
De
validiteit van peerbeoordelingen is afhankelijk van een aantal
modererende factoren. Ten eerste het doel waarvoor het wordt
ingezet. Als het doel ontwikkeling van de persoon is ten
opzichte van evaluatieve doeleinden, blijkt niet alleen de
interrater betrouwbaarheid tussen de verschillende
beoordelingen hoger te zijn (.79 ten opzichte van .31). Er is
tevens minder sprake van leniency en de beoordelingen zijn
meer gedifferentierend tussen de personen en over dimensies
(Fahr et al., 1991)
Ten
tweede is de validiteit van peerbeoordelingen afhankelijk van
de vorm van de peerbeoordeling.
Kane en Lawler (1978) onderscheiden drie vormen van
peerbeoordeling.
1.
Peernominating: een groep peers wordt gevraagd binnen
de groep aan te geven wie het beste presteert op een aantal
gedragsdimensies. De persoon die door de groepsleden het
meeste aantal malen wordt genoemd, presteert volgens de groep
het beste. Deze methode discrimineert effectief tussen groepsleden die extreem goed presteren op een dimensie
en degene die dit niet doen. De methode levert echter geen
bruikbare informatie op over groepsleden die niet worden
genomineerd.
2.
Peerranking: een groep peers wordt gevraagd om de
groepsleden te rangordenen van best presterend tot minst goed
presterend op een aantal gedragsdimensies. Deze vorm van peer
asessment is de meest discriminerende. Peerranking verschaft
echter geen absolute informatie over de individuele
groepsleden en zegt bovendien niets over de intervallen tussen
de rangen.
3.
Peerrating: ieder groepslid beoordeelt de andere
groepsleden op een aantal gedragsdimensies, waarbij gebruik
wordt gemaakt van een specifieke beoordelingsschaal. De
methode is praktisch goed bruikbaar voor feedbackdoeleinden:
over ieder groepslid is individuele informatie beschikbaar,
onafhankelijk van de overige groepsleden. De betrouwbaarheid
en validiteit van deze methode is echter lager dan de
voorgaande methoden. Door het gebruik van schalen is
peerrating gevoelig voor vormen van beoordelaarfouten en is er
een grotere kans op verschillen tussen beoordelaars.
Hoewel
peerranking en peernomination betrouwbaarder en meer valide
zijn (Kane & Lawler, 1978), is peerrating de meest
gebruikte vorm van peerbeoordelingen. Bij peerrating worden de
groepsleden onafhankelijk van elkaar en van de groep
beoordeeld. De beoordeling aan de hand van peerrating is een
absolute score in tegenstelling tot de relatieve scores die
peerranking en peernominating opleveren. Kane en Lawler (1978)
vonden in hun review een test-hertestbetrouwbaarheid van .80
en een interne consistentiecoëfficient van .45. De
predictieve validiteit van peerratings bereikten een
gemiddelde van .33.
4. Zelfbeoordelingen
Persoonlijkheidsvragenlijsten
vragen een persoon zichzelf te beschrijven aan de hand van een
aantal gerichte vragen. Zelfbeoordelingen worden over het
algemeen echter als minder valide gezien dan bijvoorbeeld
peer- of expertbeoordelngen. De betrouwbaarheid van
zelfbeoordelingen is laag.
Zelfbeoordelingen
zijn onderhevig aan de invloed van verschillende bronnen van
bias, zoals geringe spreiding in de scores, restriction of
range genoemd (Furnham & Stringfield, 1992) en leniency.
Uit tal van onderzoeken naar zelfbeoordelingen blijkt dat
zelfbeoordelingen significant hoger zijn dan beoordelingen
door peers en leidinggevenden (Yu & Murphy, 1993; Schahn
& Amelang, 1992; Fox et al.,1994). Fox et al. (1994)
werken dit verschijnsel verder uit en onderscheiden 2
mechanismen die leniency bij zelfbeoordelingen beïnvloeden.
Enerzijds ego preservation, de neiging om een zo positief
mogelijk te schetsen van zichzelf. Anderzijds impression
management, de neiging om het zelfbeeld aan te passen aan de
wensen van personen uit de omgeving. Beide mechanismen
resulteren in een meer positief zelfbeeld dan het beeld dat de
omgeving heeft.
Onderzoek
(Furnham & Stringfield, 1994; Saavedra & Kwun, 193)
geeft aan dat het verschil in zelfbeoordeling en beoordelingen
door anderen afneemt naarmate de persoon meer succesvol
presteert. Met andere woorden, succesvolle personen hebben een
zelfbeeld dat meer overeenkomt met het beeld dat de omgeving
van hen heeft dan minder succesvolle personen. Een verklaring
voor dit verschijnsel is dat succesvolle personen wellicht een
meer realistisch zelfbeeld hebben, waardoor het verschil
tussen het zelfbeeld en het beeld dat de omgeving heeft meer
met elkaar overeenstemmen. Het kan echter ook een geheel
andere oorzaak hebben. Meer succesvolle personen worden hoger
beoordeeld dan minder succesvolle personen. Als de spreiding
in de beoordelingen door de omgeving groter is dan de
spreiding in de zelfbeoordelingen, dan zal naar de extremen
van de scoreverdeling toe het verschil tussen zelfbeeld en het
beeld van de omgeving afnemen.
Een
verschil in gemiddelde tussen beoordelingen heeft geen directe
gevolgen voor de correlatie tussen deze beoordelingen, zolang
het verschil maar constant is. De correlatie tussen
zelfbeoordelingen en peer- c.q. leidinggevende beoordelingen
is echter meestal laag: Individuen hebben een significant
verschillend beeld van hun eigen prestaties dan anderen. Dit
is een van de redenen dat organisaties terughoudend zijn wat
betreft het inzetten van zelfbeoordelingen bij
personeelsbeslissingen (Shore & Thornton, 1992). Als
gevolg van de geringe betrouwbaarheid en accuraatheid van
zelfbeoordelingen wordt de validiteit verondersteld laag te
zijn. Dit vermoeden wordt bevestigd door verscheidene studies
die uitwijzen dat zelfbeoordelingen en relevante objectieve
tests laag correleren (Reily & Chao, 1982).
Zelfbeoordelingen
kunnen een toegevoegde waarde leveren in een
beoordelingsprocedure, het instrument kan de acceptatie van
feedback of van een een beoordeling verhogen (Somers &
Birnbaum, 1991). De voorspellende waarde van zelfbeoordelingen
is echter afhankelijk van een aantal voorwaarden (Furnham
& Stringfield, 1994). De zelfbeoordeling moet dezelfde
vaardigheden in dezelfde tijd (verleden, heden of toekomst)
meten als de beoordelingen door de andere beoordelaarsgroepen.
Verder moeten de metingen verbonden zijn aan specifieke
situaties en prestaties in plaats van aan algemene
eigenschappen. De voorspellende waarde van zelfbeoordelingen
is tevens hoger als de beoordelaars ervaring hebben met
zelfevaluaties.
Er
zijn een aantal studies bekend die de relatie van peer- en
zelfbeoordelingen met beoordelingen door leidinggevenden
rapporteren. Harris & Schaubroeck (1988) vonden in een
meta-analyse een relatief hoge correlatie tussen
peerbeoordelingen door de leidinggevende (.48), maar slechts
een matige correlatie tussen peer- en zelfbeoordelingen (.24)
en beoordeling door de leidinggevende en zelfbeoordeling
(.22). Het
onderzoek van Furnham en Stringfield (1994), bevestigd dit.
Zij concludeerden dat beoordelingen door leidinggevenden en
ondergeschikten relatief sterk correleerden, terwijl de
correlatie van elk met zelfbeoordelingen laag was.

5. Slot
Concluderend
kan gesteld worden dat de 360˚ feedback methodiek een
redelijk bruikbaar en betrouwbaar instrument is om medewerkers
te evalueren. Met name op het gebied van persoonlijke
ontwikkeling heeft het toegevoegde waarde. Alhoewel
zelfbeoordelingen onlosmakelijk verbonden zijn met 360˚
feedback hebben ze een aantal nadelen zoals zelfoverschatting
en sociaal wenselijk antwoorden. Het grote voordeel van
zelfbeooreling in combinatie met een evaluatie van de omgeving
is dat het verschil tussen zelfperceptie en omgevingsperceptie
inzichtelijk wordt, wat weer input is voor gesprek tussen
leidinggevende en medewerker. Voorwaarde om 360˚ feedback
goed uit te voeren is wel dat er duidelijke gedragsindicatoren
zijn geformuleerd waarop een persoon feedback kan ontvangen.
drs. E.J.A. van IJzendoorn - psycholoog
|
De
heer van IJzendoorn is psycholoog en afgestudeerd op
360˚ feedback. Hij heeft onderzoek gedaan naar de
360˚ feedback methode in combinatie met
competenties bij de Rijks Universiteit Utrecht en
Schouten & Nelissen. Hij is tevens oprichter en
directeur van EhrmVision waarbinnen hij advies over de
360˚ feedback methode geeft en de 360˚
feedback methode samen met zijn team heeft
geautomatiseerd. EhrmVision automatiseert en geeft
adviezen op het gebied van; 360˚ feedback,
competentiemanagement en persoonlijke
ontwikkelingsinstrumenten. Dit doet EhrmVision o.a. bij
het Korps Landelijke Politie Diensten, diverse
ministeries, gemeente Groningen, gemeente Heemskerk,
Rabo Securities N.V., Brunel Nederland B.V. Daarnaast
heeft EhrmVision diverse partnerschappen met
gerenomeerde adviesbureaus die de diensten en producten
van EhrmVision in de markt zetten waaronder Schouten
& Nelissen, Triam Kennismanagement, UmanID, Blue
Note Consultants, Van den Broek & Partners en
Lagerweij & Partners. Voor contact mail naar info@ehrmvision.nl
of bel 030-2670444.
|
© EhrmVision 2003
|